top of page

Leren kiezen begint niet in het stemhokje

  • Foto van schrijver: Pien Tje
    Pien Tje
  • 10 nov 2025
  • 4 minuten om te lezen

Bijgewerkt op: 13 uur geleden

In campagnetijd gaat het vaak over stemmen winnen. Over zichtbaarheid, overtuigingskracht en scherpe standpunten. Maar wie het democratisch gesprek serieus neemt, weet dat echt leren kiezen veel eerder begint. Niet bij verkiezingsposters of debatten op televisie, maar in klaslokalen. In gesprekken die kinderen en jongeren voeren over wat zij belangrijk vinden. In de ruimte die zij krijgen om hun eigen perspectief te ontdekken en dat van een ander te leren verstaan.


Onderwijs vormt altijd een manier van kijken. Wat leerlingen leren waarnemen, benoemen en bevragen, bepaalt hoe zij later hun plek in de samenleving innemen. Toch wordt burgerschap in het curriculum nog vaak opgevat als kennis over systemen: hoe werkt de democratie, wat doet de overheid, welke regels gelden er? Belangrijk, zeker. Maar onvoldoende.


Wie wil dat leerlingen later bewuste kiezers worden, zal hen nu al moeten laten oefenen met het afwegen van waarden, met twijfelen, met het erkennen van verschil. Dat vraagt om onderwijs dat verder gaat dan overdracht. Dat vraagt om ruimte voor reflectie, dialoog en verbeelding.



Algemene Culturele Vorming als oefenruimte voor perspectief

Daarom is Algemene Culturele Vorming (ACV) zo essentieel. ACV is geen extra vak en geen los project, maar een manier van werken waarin leerlingen leren kijken vanuit verschillende perspectieven. Ze ontdekken dat niemand neutraal kijkt. Dat iedere waarneming gekleurd is door ervaringen, verhalen en overtuigingen. En dat het juist in het naast elkaar leggen van die perspectieven is, dat betekenis ontstaat.


In ACV oefenen leerlingen met vragen waarop geen eenduidig antwoord bestaat. Ze leren luisteren zonder direct te hoeven beslissen. Ze ervaren dat meningen kunnen schuiven wanneer je een ander werkelijk hoort. Daarmee ontwikkelt zich iets fundamenteels: het vermogen om keuzes te maken die niet alleen persoonlijk, maar ook relationeel en maatschappelijk doordacht zijn.


Dat klinkt abstract, maar het wordt heel concreet in de klas.



Hoe dat eruit kan zien in de praktijk

Bij jonge kinderen begint dit niet met grote woorden, maar met ervaring.

In de onderbouw van het primair onderwijs (groep 1–2) kan een eenvoudige oefening al veel zichtbaar maken. Kinderen kiezen een kleur die past bij hoe ze zich voelen. Een potlood, een lapje stof, een stukje papier. “Ik kies blauw, want ik voel me rustig.” “Ik kies rood, want ik ben boos.” In zo’n moment leren ze woorden geven aan gevoelens, maar ook iets anders: dat iedereen iets anders kiest. Dat verschil er mag zijn, zonder dat het opgelost hoeft te worden.


In de middenbouw (groep 3–4) verschuift het perspectief langzaam naar morele vragen. Na een kort verhaal, bijvoorbeeld over iemand die wordt buitengesloten, gaan leerlingen met elkaar in gesprek. Wat zou jij doen? Zou je iets zeggen? Waarom wel, waarom niet? Er ontstaat geen goed of fout antwoord, maar een landschap van redenen. Leerlingen leren dat keuzes samenhangen met moed, angst, loyaliteit en rechtvaardigheid, en dat anderen daar anders in kunnen staan dan zijzelf.


In de bovenbouw van het primair onderwijs (groep 7–8) wordt die oefenruimte explicieter. In de klas hangen stellingen: Iedereen moet altijd eerlijk zijn. Kleding zegt iets over wie je bent. Leerlingen kiezen letterlijk positie in de ruimte en lichten hun keuze toe. Tijdens het gesprek mogen ze van plek wisselen als een argument hen aan het denken zet. Hier oefenen ze niet alleen met argumenteren, maar ook met twijfelen. Met het erkennen dat je van mening mag veranderen zonder gezichtsverlies.


In het voortgezet onderwijs krijgt dit een bredere maatschappelijke context. Leerlingen worden bijvoorbeeld uitgenodigd om zich voor te stellen dat zij minister zijn, al is het maar voor één dag. Wat zou jij veranderen? Welke waarde staat voorop? Vrijheid, duurzaamheid, gelijkwaardigheid? Door slogans, posters of korte betogen te maken, ervaren leerlingen dat politiek niet iets abstracts is, maar iets wat raakt aan hun eigen leven en keuzes. Ze ontdekken dat maatschappelijke vraagstukken altijd vragen om afwegingen en dat die afwegingen nooit waardevrij zijn.



Burgerschap vraagt meer dan kennis

Dit soort oefeningen laat zien wat er gebeurt wanneer burgerschap niet wordt gereduceerd tot weten, maar wordt benaderd als oefenen. Oefenen in luisteren. In spreken. In het verdragen van verschil. In het ontwikkelen van een eigen stem die zich verhoudt tot anderen.


Juist in een tijd waarin maatschappelijke tegenstellingen verharden en het publieke debat steeds sneller en stelliger wordt, is die oefenruimte cruciaal. Leerlingen hebben plekken nodig waar ze mogen zoeken, waar ze niet direct hoeven te kiezen, maar wel leren hoe je kiest.


Bij EigenlijkWijs zijn daarom alle leerlijnen per groep uitgewerkt binnen zes leergebieden die samen verschillende perspectieven vertegenwoordigen. Elk leergebied verbindt kennis, kunst en burgerschap met betekenisvolle vragen die passen bij de leefwereld van kinderen en jongeren. Niet als losstaande lessen, maar als samenhangend curriculum waarin perspectiefvorming centraal staat.



Kiezen leer je door te mogen kijken

Bewuste kiezers ontstaan niet vanzelf. Ze groeien in omgevingen waar ruimte is voor nuance, waar verschil niet meteen wordt gladgestreken, en waar onderwijs niet alleen vraagt wat vind je?, maar vooral waarom.


De vraag is dan ook niet of burgerschap een plek verdient in het curriculum. De vraag is welke vorm van burgerschap we leerlingen gunnen. Een die vooral informeert

of een die werkelijk vormt.


Welke perspectieven zouden wij iedere leerling willen meegeven op weg naar een toekomst waarin kiezen onvermijdelijk is?

Opmerkingen


Het is niet meer mogelijk om opmerkingen te plaatsen bij deze post. Neem contact op met de website-eigenaar voor meer info.
bottom of page