Denken voorbij je stamgroep: Waarom wereldburgerschap begint waar ons oerbrein ophoudt
- Pien Tje
- 26 nov 2025
- 5 minuten om te lezen
Bijgewerkt op: 13 uur geleden
Er zijn van die momenten waarop het onderwijs even stilvalt. Niet omdat er geen tijd is, niet omdat de methode iets anders vraagt, maar omdat er iets gebeurt in de klas dat groter is dan het oefenen van vaardigheden of het afronden van een taak. Een leerling die iets vraagt wat verder reikt dan het onderwerp van de les. Een opmerking die schuurt. Een gesprek dat ineens gaat over wat eerlijk is, wat echt is, wat wij vinden dat ‘hoort’.

Dat is het domein waar onderwijs plots wereld wordt en waar onze menselijke natuur zich laat zien. Want diep in ons zit iets oeroud verankerd: het instinct om terug te keren naar onze stamgroep zodra er gevaar dreigt. Ons brein is gebouwd op overleven, niet op nuance. Angst sluit ramen. Perspectief opent ze.
Dit instinctieve terugtrekken zien we ook in de klas, in de samenleving en in politieke retoriek. Denk maar aan de snelheid waarmee discussies verharden, groepen tegenover elkaar komen te staan, of hoe leerlingen die zich onzeker voelen terugvallen op “mijn vrienden zeggen dit”, “mijn familie vindt dat”, “bij ons thuis doen we dat zo”. Ons oerbrein vertelt ons dat veiligheid ligt in het bekende. Maar echte wereldgerichtheid vraagt het tegenovergestelde: het vermogen om buiten het bekende te denken zonder jezelf te verliezen.
Volgens de Vlaamse filosoof Libbrecht is precies dát het werk van wereldburgerschap: het vermogen om paradigmavrij te kijken. Een perspectief dat niet gevangen zit in één culturele logica, één morele traditie, één verhaal over de werkelijkheid. Het is misschien een van de meest radicale pedagogische opdrachten die er bestaan.
Waarom perspectiefvorming moeilijker is dan meningsvorming
We vergissen ons vaak: perspectiefvorming is niet hetzelfde als meningsvorming. Een mening is snel geboren. In onze publieke ruimte wordt meningsvorming zelfs gevierd: helder standpunt, stevig debat, duidelijke argumenten.
Maar een perspectief vraagt iets anders. Iets traags. Iets wat niet alleen in het hoofd gebeurt, maar ook in het lichaam, in relaties, in geschiedenis. Een mening is een eindproduct. Een perspectief is iets wat niet vaststaat maar zicht blijft ontwikkelen.
Een mening kun je uitspreken zonder jezelf echt te onderzoeken. Je kunt argumenten verzamelen alsof je stenen verzamelt voor een muur: hoe sterker, hoe steviger je aan de veilige kant van jouw stamgroep blijft staan. Maar perspectiefvorming vraagt om openbaarheid in Arendtiaanse zin: verschijnen in een wereld die groter is dan jij, met anderen die anders kijken, en toch de veiligheid voelen om naast hen te blijven staan.
Het vraagt om een oefening in kwetsbaarheid: Waar kijk ik eigenlijk vandaan? Welke overtuigingen heb ik geërfd, welke heb ik aangeleerd, welke zijn ontstaan omdat ik ooit ergens bang voor was?
En misschien wel de belangrijkste vraag: Hoe zouden mijn conclusies veranderen als ik vanuit een ander vertrekpunt zou kijken? Precies dáár begint onderwijs dat vormend is.
Het brein dat veiligheid zoekt, het onderwijs dat wereldgericht wil zijn
Vanuit evolutionair perspectief is ons brein ontworpen om gevaar te herkennen. Snelle conclusies waren nuttig. Groepsloyaliteit verhoogde overleving. Wantrouwen tegen het vreemde was functioneel.
Maar in onze tijd zijn de grootste risico’s zelden zichtbaar of individueel. Ze zijn complex, verweven, mondiaal: klimaatverandering, polarisatie, ongelijkheid, migratie, digitale manipulatie. Onze oerreflex beschermt ons niet langer, hij beperkt ons.
Dat maakt het onderwijs geen neutrale ruimte. Het is een oefenplaats waar we samen leren om méér te worden dan ons oerbrein. Waar we leren luisteren zonder te vluchten of te vechten. Waar we oefenen om het verschil niet als bedreiging maar als verruiming te zien.
Paradigmavrije perspectiefvorming – het hart van ACV
In de visie van Algemene Culturele Vorming staat één vraag steeds weer centraal: Hoe leren leerlingen betekenis geven aan de wereld en de rol die zij daarin spelen, in plaats van er enkel op te reageren?
ACV is geen verzameling thema’s, geen extra vak, geen kunstproject; het is een manier van kijken. Het is onderwijs dat kinderen langzaam leert dat wat zij zien, nooit het hele verhaal is. Dat cultuur niet een decor is, maar een lens. Dat identiteit geen muur is, maar een raam. Het is precies de beweging die Libbrecht “paradigmavrij” noemt: jezelf kunnen optillen boven het wereldbeeld dat je hebt meegekregen. Niet om jezelf te verliezen, maar om te kunnen verschijnen.
En dat raakt direct aan perspectiefvorming als voorwaarde voor democratisch, menswaardig en wereldgericht onderwijs. Perspectiefvorming niet ontstaat door informatie, maar door ervaring: dialogische ruimte, verbeelding, zintuiglijke prikkeling, verhalen, kunst, rituelen, filosofie. Kortom: door de wereld te ontmoeten in al haar veelheid.
Denken vanuit een stam niet genoeg is in een wereld die groter is
Bij jonge kinderen noemen we het ‘vriendjes’. Bij tieners heet het ‘groepjes’. Bij volwassenen wordt het een ‘bubbel’. Het mechanisme is hetzelfde: we kiezen mensen die op ons lijken, hetzelfde denken en ons bevestigen.
Maar de wereld vraagt iets anders: het vermogen om jezelf te situeren binnen een veelkleurige werkelijkheid. Dat is precies wat Arendt pluraliteit noemt: het feit dat de wereld ons pas werkelijk wordt in het meervoud, nooit in het enkelvoud. Wanneer onderwijs alleen gericht is op het versterken van het eigene -identiteit, cultuur, mening, groep of de westerse kijk op de inhoud van een vak- dan maken we leerlingen kleiner dan de wereld waarin ze moeten leven. Perspectiefvorming maakt ze groter dan hun omstandigheden.
Dat is geen luxe. Het is noodzaak.
Wat vraagt dit van leraren?
Leraren zijn de poortwachters van het mogelijke. Niet omdat zij alle antwoorden hebben, maar omdat zij een ruimte kunnen maken waar het oude brein even mag rusten en het nieuwe brein mag oefenen. Het vraagt drie dingen:
1. Durven vertragen: Perspectiefvorming is traag. Het vraagt om momenten waarop de tijd even stopt: een kunstwerk dat we bekijken, een verhaal dat we niet meteen duiden, een vraag die we laten hangen.
2. Dialoog boven discussie: In gesprekken waar het doel niet is om te winnen, maar om te begrijpen: Wat zie jij? Wat mis ik? Wat betekent dit in jouw wereld?
3. De moed om niet neutraal te zijn: Niet neutraal in de zin van je mening opdringen, maar in de Arendtiaanse zin van: aanwezig zijn als mens in een wereld die vraagt om menselijkheid.
Kinderen leren niet alleen over de wereld — ze leren zich ertoe verhouden
Wanneer een leerling zegt: “Ik vind dit omdat wij dat thuis zo doen”, begint het werk pas. Niet om die overtuiging af te breken, maar om het raam te openen. Om te laten zien dat er meerdere manieren zijn om de wereld te zien, zonder dat één daarvan de absolute waarheid is.
Daarom is perspectiefvorming geen cognitieve vaardigheid. Het is een existentiële oefening. Het vraagt om onderwijs dat kinderen niet alleen voorbereidt op een beroep, maar op het leven.
De kernvraag voor ons onderwijs
In een tijd waarin polarisatie groeit en groepen steeds verder terugtrekken in hun eigen waarheden, wordt één vraag steeds urgenter: Leren we kinderen om terug te keren naar hun stamgroep of leren we ze denken voorbij hun stamgroep?
De toekomst van democratie, samenleven en vrede hangt misschien wel af van onze bereidheid om die vraag serieus te nemen. Wereldburgerschap is niet een module, geen projectweek, geen set vaardigheden. Het is de dagelijkse oefening om de wereld groter te laten zijn dan onze angst.
En het begint klein: in een klaslokaal, met een gesprek, een vraag, een beeld, een gedachte die even blijft hangen. Perspectiefvorming is de kunst van het open raam. Onderwijs is de plek waar dat raam steeds opnieuw opengaat.



Opmerkingen