top of page

Algemeen cultureel vormend burgerschap door middel van kunstbeschouwing

13 jul
6 minuten om te lezen

Bijgewerkt op: 3 uur geleden

Er wordt veel gesproken over burgerschap in het onderwijs. Over kennis van de democratische rechtsstaat, over waarden als respect en gelijkwaardigheid, over participatie en verantwoordelijkheid. Terecht. Maar wie goed kijkt naar wat er in de klas gebeurt, ziet dat burgerschap niet alleen ontstaat in wat we uitleggen, maar vooral in wat leerlingen oefenen. En precies daar ligt een dimensie die nog te vaak onderbelicht blijft: het leren omgaan met verschillende perspectieven.  

 

In het lespakket ‘De beeldenzaal van de Maatschappij Felix Meritis’ wordt die praktijk tastbaar. Niet door burgerschap als apart thema te behandelen, maar door kunstbeschouwing in te zetten als een oefenruimte waarin leerlingen daadwerkelijk ervaren wat het betekent om te kijken, te interpreteren en zich te verhouden tot de blik van een ander. Want kijken naar kunst, écht kijken met ruimte voor vertraging en vragen waar geen goed of fout voor bestaat, blijkt een krachtige manier om leerlingen te laten oefenen met precies die vaardigheden die binnen burgerschap centraal staan. Niet als abstract begrip, maar als dagelijkse praktijk.

 

Kijken is geen vaardigheid, maar een praktijk

Kijken is geen vanzelfsprekende vaardigheid. In veel lessen wordt kijken functioneel ingezet: als middel om te herkennen, te benoemen of tot het juiste antwoord te komen. Maar in kunstbeschouwing verschuift die rol fundamenteel omdat het doel anders is. Kijken wordt geen opstap naar een antwoord, maar een proces op zichzelf. Leerlingen worden niet meteen gestuurd naar betekenis, maar eerst uitgenodigd om te vertragen. Om te blijven bij wat zij zien, zonder dat daar direct een oordeel of verklaring aan vast hoeft te zitten.

 

In de eerste ontmoeting met het schilderij ‘De beeldenzaal van de Maatschappij Felix Meritis’ gebeurt precies dat. Er is geen uitgebreide introductie, geen uitleg over context of maker. Er is stilte, aandacht en tijd. Leerlingen kijken, en in dat kijken ontstaat al iets wezenlijks. Want zodra een leerling wijst en zegt: “Ik denk dat die persoon zich alleen voelt,” en een ander daarop reageert: “Ik denk juist dat hij zich belangrijk voelt,” wordt zichtbaar dat kijken nooit neutraal is. Wat hier gebeurt, is geen misverstand dat gecorrigeerd moet worden, maar een opening naar gesprek.

 

Leerlingen ontdekken dat:

– Hun eerste indruk ertoe doet

– Er niet één juiste interpretatie is

– Kijken ook verbonden is met voelen en denken

 

In dat gesprek worden burgerschapsdoelen niet alleen benoemd, maar geoefend. Leerlingen leren hun eigen waarneming onder woorden te brengen en merken dat die waarneming niet vanzelfsprekend gedeeld wordt. Ze luisteren naar anderen, reageren, stellen vragen en beginnen hun eigen interpretaties te onderbouwen. De leraar hoeft hier niet te sturen naar een juist antwoord, maar begeleidt het proces door vragen te stellen die het denken verdiepen. Wat maakt dat je dit zo ziet? Zou iemand anders dit anders kunnen ervaren? En wat betekent dat eigenlijk?

 

Langzaam verschuift het kijken naar denken. Leerlingen worden zich ervan bewust dat hun interpretatie niet zomaar ontstaat, maar voortkomt uit wat zij kennen, voelen en hebben meegemaakt. Hier raakt kunstbeschouwing aan een fundament van burgerschapsvorming: het besef dat je blik gekleurd is. Niet als beperking, maar als uitgangspunt voor onderzoek. Door dat besef ontstaat ruimte om het perspectief van een ander niet direct te verwerpen, maar serieus te nemen als een andere manier van kijken.

 

Burgerschapsdoelen zichtbaar in de praktijk

Wat hier gebeurt, raakt direct aan de kern van burgerschapsvorming. Niet alleen impliciet, maar ook expliciet te verbinden aan doelen zoals:– Het ontwikkelen van respect voor verschillende perspectieven– Het leren verwoorden van eigen gedachten en gevoelens– Het kunnen luisteren naar en reageren op anderen– Het omgaan met verschil zonder direct te oordelen

 

In de praktijk ziet dat er bijvoorbeeld zo uit: Tijdens een klassengesprek over het schilderij ontstaat verschil van interpretatie. De leraar grijpt dat niet aan om te sturen naar één antwoord, maar stelt vragen als:

– “Kun je uitleggen wat je ziet waardoor je dat denkt?”

– “Wie ziet iets anders?”

– “Zou het kunnen dat het allebei klopt?”

Leerlingen leren hier niet alleen spreken, maar ook onderbouwen, luisteren en heroverwegen. Dat zijn geen abstracte competenties, maar concrete handelingen die zichtbaar en observeerbaar zijn in de les.

 

Wat kunstbeschouwing binnen ACV zo passend maakt, is dat dit proces niet binnen één domein blijft. Het kijken wordt verbonden met denken, met maken en met samenleven. Wanneer leerlingen na het beschouwen zelf een beeld creëren, verschuift hun positie van toeschouwer naar maker. Ze ontdekken dat zij zelf betekenis kunnen vormgeven, dat wat zij maken iets zegt over hoe zij kijken naar de wereld. Wanneer dat werk vervolgens besproken wordt in de groep, ontstaat opnieuw een laag. De maker heeft een intentie, maar de kijker ziet misschien iets anders. Die spanning maakt zichtbaar dat betekenis altijd ontstaat in de ontmoeting tussen beiden.

 

Van waarnemen naar betekenis geven

Tijdens kunstbeschouwing worden leerlingen uitgenodigd om hun observaties te onderzoeken. Niet alleen wat ze zien, maar waarom ze dat zo zien. Leerlingen reflecteren op hun eigen denken:

– Waar baseer ik mijn interpretatie op?

– Welke ervaringen neem ik mee?

– Waarom zie ik dit anders dan een ander?

 

Hier vindt verschuiving plaats van spontane interpretatie naar bewust denken. Leerlingen leren dat hun perspectief gevormd wordt en dus ook onderzocht kan worden. Dat is een fundamentele stap in burgerschapsvorming: het besef dat je blik niet vanzelfsprekend is, maar gekleurd.

 

 Een van de meest krachtige momenten in de lessenserie ontstaat wanneer leerlingen letterlijk in het schilderij stappen. Ze kiezen een figuur, nemen een positie in en kijken vanuit die plek naar de ruimte en de anderen. Wat eerst een beeld op afstand was, wordt ineens een ervaring van binnenuit. Leerlingen merken dat hun plek bepaalt wat zij zien en hoe zij zich voelen. Iemand die eerst dacht dat een figuur boos was, ontdekt misschien dat die boosheid ook gelezen kan worden als buitensluiting of onzekerheid. In die verschuiving ligt de essentie van perspectiefwisseling besloten.


Taal speelt in dit proces een cruciale rol. Leerlingen leren niet alleen kijken en denken, maar ook verwoorden. Niet in vaste formuleringen, maar in zoekende taal die ruimte laat voor nuance en twijfel. Zinnen als “ik denk dat…”, “het lijkt alsof…” of “misschien omdat…” zijn geen tekenen van onzekerheid, maar van ontwikkeling. Ze maken zichtbaar dat denken in beweging is. Juist die taal maakt het mogelijk om in gesprek te blijven, om niet direct vast te lopen in gelijk of ongelijk.

 

Taal als drager van denken

Een belangrijk, vaak onderschat aspect van deze lessen is taalontwikkeling. Leerlingen leren woorden geven aan wat ze zien, voelen en denken. Niet in vaste zinnen, maar in zoekende taal:

– “Ik denk dat…”

– “Misschien omdat…”

– “Het lijkt alsof…”

 

Deze taal is essentieel. Het stelt leerlingen in staat om nuance aan te brengen, om twijfel te verwoorden, om open te blijven. Niet door correctheid centraal te stellen, maar door expressie en betekenis. Ook dat raakt direct aan burgerschap: zonder taal geen dialoog, zonder dialoog geen ontmoeting.

 

Vanuit deze ervaringen wordt de stap naar de samenleving kleiner dan vaak wordt gedacht. Wanneer leerlingen zich afvragen wie er in een beeld zichtbaar is en wie niet, of welke verhalen verteld worden en welke ontbreken, raken ze aan vragen die direct verbonden zijn met wereldburgerschap. Kunst werk hierdoor als een lens waardoor we op verschillende manieren leren kijken, voelen en benoemen.

 

Wat in deze lessen gebeurt, is daarmee allesbehalve vrijblijvend. De vaardigheden die geoefend worden – luisteren, verwoorden, perspectief nemen, omgaan met verschil – zijn concreet en zichtbaar. Ze spelen zich af in het gesprek, in de reacties van leerlingen, in de manier waarop zij hun eigen denken bijstellen. Het zijn precies die vaardigheden die nodig zijn om te kunnen functioneren in een samenleving die niet eenduidig is, maar meervoudig en voortdurend in beweging.

 

Opvallend is dat deze manier van werken niet afhankelijk is van leeftijd. Juist jonge leerlingen blijken bijzonder ontvankelijk voor deze vorm van kijken. Hun openheid en verbeeldingskracht maken dat zij vaak zonder aarzeling verschillende interpretaties naast elkaar kunnen laten bestaan. Wanneer die openheid wordt erkend en begeleid, ontstaat er een leeromgeving waarin verschil niet bedreigend is, maar vanzelfsprekend.

 

In die zin is kunstbeschouwing binnen ACV geen losstaande activiteit en werkvorm, maar een pedagogische keuze. Een keuze om onderwijs niet alleen te richten op wat leerlingen moeten weten, maar op hoe zij leren kijken en zich verhouden tot de wereld. De kracht zit daarbij in de samenhang tussen domeinen. Mediawijsheid, kunst, filosofie, taal en burgerschap worden niet naast elkaar aangeboden, maar verweven in één leerproces waarin leerlingen telkens opnieuw worden uitgenodigd om van perspectief te wisselen. De leerkracht kan natuurlijk deze domeinen verschuiven, verdiepen en verbreden of zelfs koppelen aan een WO thema waar mee gewerkt wordt.

 

Maar dat vraagt wel iets van de leraar. Niet in de vorm van extra kennis of complexe werkvormen, maar in houding. Het vraagt om de bereidheid om niet meteen te sturen, om vragen te laten staan, om het gesprek te laten ontvouwen zonder het direct te willen afronden. Het vraagt om vertrouwen in het proces en in de leerlingen zelf en dat de weg naar de leerdoelen net zo belangrijk zijn als de eindbestemming.

 

Wie leert kijken, leert begrijpen.

En wie leert begrijpen, leert samenleven.


Opmerkingen


Het is niet meer mogelijk om opmerkingen te plaatsen bij deze post. Neem contact op met de website-eigenaar voor meer info.
bottom of page