top of page

AI als mimesis van mimesis

Wat gebeurt er als we naar kunstmatige intelligentie kijken zoals we ooit naar kunst keken?


Ergens in de geschiedenis is er een moment geweest waarop mensen voor het eerst begrepen dat kunst niet simpelweg een kopie van de werkelijkheid was, maar een menselijke manier om de wereld te vangen, te vormen en te bevragen. Plato wantrouwde die nabootsing nog, hij vond kunst een kopie van een kopie: de wereld zelf was voor hem al een afschaduwing van de ideeën en kunst dus slechts mimesis van een mimesis. Aristoteles keek milder en zag juist in die nabootsing de mogelijkheid tot inzicht: door te imiteren, te vormen, te stileren, tonen we iets van wat onder de oppervlakte ligt.

Nu zitten we opnieuw in zo’n verschuiving, alleen heet het object van ons wantrouwen en onze fascinatie geen schilderij of theaterstuk meer, maar AI. Niet de kunstenaar die de wereld nabootst, maar een model dat onze eigen cultuur, taal en beelden aan ons teruggeeft. Geen mimesis van de wekelijkheid, maar eigenlijk mimesis van onze eigen mimesis. Nabootsing van nabootsing.


De vraag is dan: als kunst altijd al een menselijk antwoord was op betekenisgeving van de wereld, wat is AI dan? Is zij een nieuwe vorm van kunst, een gereedschap, een spiegel of een parasiet? En misschien nog fundamenteler: zegt kunst – en nu ook AI – iets over een vaste, objectieve “inhoud” die daar ergens buiten ons bestaat of laat ze ons vooral zien hoe het menselijk brein onvermoeibaar zoekt naar betekenis?



Kunst als mimesis: nooit alleen kopie, altijd wereld-bewerking

Wie kunst enkel begrijpt als nabootsing, mist precies datgene wat kunst levensvatbaar maakt: het feit dat er altijd een mens tussen wereld en uitdrukking in zit. Een schilderij van een landschap is niet het landschap. Het is een selectie van licht en kleur, van wat de maker belangrijk vond en wat hij wegliet. Een roman is niet “de werkelijkheid”, maar een geconstrueerde wereld waarin taal, structuur en perspectief ons dwingen op een bepaalde manier te kijken. Kunst is dus geen passieve kopie, maar actieve bewerking. Het is mimesis als interpretatie.


Dat betekent ook dat kunst nooit neutraal is. Ze laat niet zien “hoe het is”, maar hoe het zou kúnnen verschijnen, vanuit één blik, één tijd, één lichaam, één geschiedenis. In die zin is kunst altijd al een gesprek geweest over de vraag waar ze eigenlijk voor dient. Is kunst er om de werkelijkheid mooier te maken? Om kritiek te leveren? Om troost te bieden? Om vragen op te roepen in plaats van antwoorden te geven?


Onder al die discussies ligt hetzelfde spanningsveld: is inhoud iets wat vaststaat – een soort objectieve kern – of is inhoud eerder een verschijnsel van het menselijke brein in zijn voortdurende poging om betekenis te maken? Als kunst ons iets leert, dan misschien dit: inhoud is niet alleen wat er afgebeeld wordt, maar wat er in ons gaat bewegen als we kijken.



AI als mimesis van mimesis

En dan komt daar AI binnen, wellicht als nieuwkomer op het spreekwoordelijke toneel, maar meteen in de schijnwerpers. Modellen die getraind zijn op miljarden woorden, beelden, geluiden. AI maakt geen directe kopie van de wereld, maar van onze representaties van die wereld. Waar de schilder de werkelijkheid nabootste, bootst AI de schilderij-wereld na. Het is mimesis van mimesis: een systeem dat patronen haalt uit de ontelbare sporen die mensen al hebben achtergelaten.


Dat maakt AI zowel intrigerend als verontrustend. Want op het moment dat een model een “nieuwe” tekst, afbeelding of compositie genereert, voelt het soms alsof we naar iets creatiefs kijken, terwijl we in feite een condens zien van collectieve menselijke output. De vraag “Is dit origineel?” wordt daardoor poreus. Wat we zien, is geen individu dat zich verhoudt tot de wereld, maar een netwerk dat zich verhoudt tot data.


Juist daarom is de vergelijking met kunst interessant. Kunst vraagt altijd: wie spreekt hier? Vanuit welk lichaam, welke geschiedenis, welke positie? Bij AI is die vraag veel diffuser. Wie spreekt er als een model een gedicht schrijft? De programmeur? De dataset? De cultuur die die dataset heeft voortgebracht? Of niemand in het bijzonder? En als niemand werkelijk spreekt, kunnen we dan nog van betekenis in dezelfde zin spreken?



Waar dienen kunst en AI dan eigenlijk voor?

Als we kunst en AI naast elkaar leggen, wordt het verleidelijk om in morele oordelen te spreken: kunst is menselijk, AI is mechanisch; kunst is authentiek, AI is nep. Maar misschien zit de interessante vraag niet in de tegenstelling, maar in de overeenkomst. Beide functioneren als apparaten voor betekenisgeving. Kunst doet dat door een mens de ruimte te geven om de wereld te herordenen. AI doet dat door menselijke ordeningen te herkennen en te reproduceren.


Kunst heeft altijd een dubbele beweging in zich gehad: ze verbeeldt de wereld en bevraagt haar tegelijk. Een toneelstuk over macht is nooit alleen een verhaal, het is ook een uitnodiging om je eigen positie ten opzichte van macht te onderzoeken. Een schilderij van een lijf is nooit alleen anatomie, het is ook een vraag: wat is schoonheid, kwetsbaarheid, sterfelijkheid? Kunst dient dan niet slechts een decoratieve of informatieve functie, maar een existentiële: ze helpt ons oefenen in kijken.


AI kan in die zin twee kanten op. Ze kan de kritische, zoekende kant van kunst ondersteunen – bijvoorbeeld doordat ze variaties genereert die onze verbeeldingskracht voeden, doordat ze ons confronteert met patronen en vooroordelen die we anders niet zouden zien. Maar ze kan ook de tegenovergestelde beweging versterken: afbeeldingen en teksten die vooral snel, glad en herkenbaar zijn, die nauwelijks meer schuren, die bevestigd wat er al is, omdat ze exact gevoed worden door het gemiddelde van wat we al produceerden.


De vraag “waar dient AI voor?” lijkt dan sterk op de oude vraag “waar dient kunst voor?” Het antwoord ligt niet in het gereedschap zelf, maar in hoe wij ermee omgaan. Willen we AI inzetten als verlengstuk van consumptie – nog meer beeld, nog meer tekst, nog sneller, nog platter? Of als aanleiding voor reflectie: wat zegt het over ons dat een systeem zo overtuigend onze taal kan nadoen, onze beelden kan reconstrueren, onze stijl kan kopiëren? Wat zegt het over originaliteit, over auteurschap, over verantwoordelijkheid?



Is inhoud iets wat vaststaat, of iets wat gebeurt tussen brein en wereld?

Dat brengt ons bij de vraag: is inhoud iets wat vastligt of een verschijnsel van het menselijke brein in zijn zoektocht naar betekenis? In veel onderwijsdiscours klinkt inhoud nog altijd alsof het een blok vormt dat van A naar B verplaatst kan worden. De leraar “draagt over”, de leerling “neemt op”. Maar alles wat we weten uit hermeneutiek, fenomenologie, cognitieve psychologie en cultuurwetenschappen, wijst erop dat inhoud nooit op zichzelf staat. Ze verschijnt altijd in relatie.


Een tekst is niet wat er op de pagina staat, maar wat er gebeurt wanneer een lezer met zijn geschiedenis, emoties en verwachtingen daarmee in aanraking komt. Een kunstwerk is niet het doek alleen, maar ook de blik die het ontvangt. Een les is niet de PowerPoint, maar het moment waarop iets resoneert in een leerling, hoe onvoorspelbaar en ongrijpbaar dat ook is. In die zin is inhoud geen vaste entiteit, maar een voortdurend verschijnsel van betekenisgeving.


AI legt die relationaliteit op een vreemde manier bloot. Want een model “begrijpt” geen inhoud in menselijke zin; het herkent patronen in symbolen. Het maakt een plausibele nieuwe combinatie op basis van statistische waarschijnlijkheid, niet op basis van geleefde ervaring. Toch ervaren wij vaak wél betekenis bij wat AI produceert. We herkennen ons in een zin, worden geraakt door een beeld, lachen om een verzonnen verhaal. Dat komt omdat ons brein onvermoeibaar betekenis maakt, ook wanneer de bron niet zelfbewust is.


Misschien wordt precies daar het verschil tussen kunst en AI voelbaar. Kunst ontstaat uit een brein dat zich verhoudt tot de wereld en daarin een positie inneemt. AI ontstaat uit een systeem dat patronen van zulke posities nadoet, zonder zelf ergens te staan. Kunst zegt: ik zie dit zo. AI zegt: dit lijkt op alles wat er al gezegd is.



Wat betekent dit voor onderwijs?

Voor onderwijs dat vorming serieus neemt, is het niet genoeg om AI te benaderen als handig hulpmiddel of als gevaarlijk risico. Het gesprek moet dieper. Als kunst ooit het laboratorium was waarin we oefenden om anders naar de wereld te kijken, dan kan AI nu het laboratorium zijn waarin we oefenen om anders naar onze eigen betekenisprocessen te kijken.


Binnen de visie van Algemene Culturele Vorming (ACV) van EigenlijkWijs is het daarom niet voor niets dat we een leergebied 'Ik denk dus ik ben' hebben ontwikkeld met verschillende domeinen die zich met elkaar verhouden: – mediawijsheid, AI, filosofie, taal en economie – zouden leerlingen niet alleen moeten leren wat AI kan en hoe het technisch ongeveer werkt, maar vooral wat het met hún blik doet. Hoe voelt het dat een systeem in één seconde een tekst of beeld produceert waar jij misschien uren over zou doen? Wat zegt het over originaliteit dat stijlen, stemmen en genres zo moeiteloos gemengd kunnen worden? Wat betekent auteurschap als de maker geen bewustzijn heeft? En vooral: wat leert dit ons over mens-zijn, over de kwetsbaarheid én de kracht van ons vermogen tot betekenisgeving?


De kernvragen van ACV – wie ben ik, hoe verhoud ik mij tot de ander en de wereld – worden in het licht van AI nog urgenter. Want als machines kunnen nabootsen wat wij doen, zijn we dan minder mens of juist uitgedaagd om scherper te definiëren wat menselijkheid is? Misschien is dat wel de belangrijkste pedagogische beweging: leerlingen uitnodigen om AI niet alleen te gebruiken, maar te beschouwen. Niet alleen als gereedschap, maar als spiegel en als mimesis van mimesis.


Dan verschuift de vraag “moeten we AI gaan zien zoals we ooit kunst zagen?” langzaam naar een andere vraag: “durven we AI te gebruiken zoals we kunst ooit bedoeld hadden?” Niet als decor of versiering, maar als aanleiding tot reflectie, twijfel, verbeelding, gesprek. Niet als vervanging van het menselijk brein, maar als prikkel waardoor dat brein zich opnieuw moet verhouden tot zichzelf.


Want uiteindelijk, of we nu kijken naar een schilderij, een gedicht of een door AI gegenereerd beeld: de inhoud staat nooit vast in het object. Ze ontstaat in de ontmoeting. In de manier waarop een mens – met alles wat hij is – zich tot dat object verhoudt. Kunst was altijd al mimesis. AI is mimesis van die mimesis. Maar betekenis, die blijft iets dat zich afspeelt in dat ene, ongrijpbare tussen: tussen wereld en brein, tussen techniek en mens, tussen wat gegeven lijkt en wat zich nog ontvouwen moet.


En precies dáár, in dat tussen, ligt de opvoedkundige ruimte voor ons onderwijs verscholen.

Opmerkingen


Het is niet meer mogelijk om opmerkingen te plaatsen bij deze post. Neem contact op met de website-eigenaar voor meer info.
bottom of page